De restschuldparadox

Per 1 januari 2013 bevat de Wet op de inkomstenbelasting 2001 een regeling die voorziet in de aftrekbaarheid van renten en kosten van zogenoemde restschulden. De invoering van deze zogenoemde ‘restschuldfaciliteit' is een gevolg van de in het Regeerakkoord VVD-PvdA opgenomen voornemen om de problemen met restschulden gericht aan te pakken. Dergelijke schulden ontstaan kort gezegd wanneer eigenwoningbezitters hun woning verkopen tegen een prijs, die lager ligt dan de op hun woning rustende en met de verwerving daarvan verband houdende (hypothecaire) geldlening(en). De verkoopopbrengst is alsdan onvoldoende om die openstaande geldlening(en) af te lossen, waardoor een restschuld resteert. Zonder aanvullende maatregel zou een dergelijke restschuld na verkoop van de eigen woning tot de rendementsgrondslag van de forfaitaire rendementsgrondslag (box 3) gaan behoren, waardoor de daarover verschuldigde rente niet langer aftrekbaar zou zijn van het inkomen uit werk en woning (box 1). De restschuldfaciliteit nu, bewerkstelligt dat die rente onder bepaalde voorwaarden toch ten laste van het box 1-inkomen kan worden gebracht. Die voorwaarden kunnen echter leiden tot een logische maar wringende paradox.

Doel en voorwaarden restschuldfaciliteit

Volgens de in de wetsgeschiedenis opgenomen toelichting bij de restschuldfaciliteit vormen restschulden een belemmering voor de doorstroming op de woningmarkt. Met de restschuldfaciliteit heeft het kabinet een tijdelijke tegemoetkoming willen bieden aan (ex-) eigenwoningbezitters, die na de verkoop van hun eigen woning, met een restschuld opgezadeld  zouden komen te zitten. Dit ongetwijfeld in de hoop dat daardoor de doorstroming op de woningmarkt minder wordt belemmerd.

Het kabinet stond daarin overigens niet alleen, getuige ook het rapport van de Commissie Van Dijkhuizen, waarin een renteaftrek is voorgesteld als aanpak voor de restschuldproblematiek (zie ‘Naar een activerender belastingstelsel', Eindrapport, juni 2013, p. 72). Of voormelde hoop bewaarheid zal worden, valt nog te bezien. De effectiviteit van belastingsubsidies is in zijn algemeenheid namelijk omstreden en lastig vast te stellen.
 
Ofschoon de bedoeling van het kabinet in dezen bij menigeen sympathiek mag overkomen, de aan de restschuldfaciliteit gestelde voorwaarden kunnen toch als hardvochtig worden ervaren.  Die voorwaarden hebben betrekking op de periode waarin de restschuld is ontstaan, de tijdspanne gedurende welke de daarover verschuldigde rente nog aftrekbaar is, alsook het fiscale karakter van de schuld waaruit die restschuld voortvloeit.

Zo vindt restschuldfaciliteit alleen toepassing als de restschuld is ontstaan als gevolg van een vervreemding van een eigen woning gedurende de periode van 29 oktober 2012 (de datum van publicatie van het regeerakkoord) tot en met  31 december 2017. Daarvoor ontstane restschulden vallen derhalve buiten het bereik van die faciliteit, ofschoon de malaise op de woningmarkt toen al wel enige tijd merkbaar was. (zie o.a. ING publicatie 'Nieuwbouw onder druk door verlaging overdrachtsbelasting' van 8 juli 2011, www.ing.nl en CBS publicatie ‘Bestaande koopwoningen bijna 8 procent goedkoper dan een jaar eerder' van 21 november 2012, www.cbs.nl ).  

Voorts geldt de faciliteit slechts voor een periode van 10 jaar. Staat de restschuld na ommekomst daarvan nog steeds (gedeeltelijk) open, dan ‘verhuist' zij daarna alsnog naar box 3, met alle gevolg van dien voor de aftrekbaarheid van de daarover verschuldigde rente. Ten slotte komen enkel (hypothecaire) geldleningen die hebben geleid tot een negatief vervreemdingssaldo - een begrip dat deel uitmaakt van de bijleenregeling (artikel 3.119aa Wet IB 2001) en kort gezegd het verschil vormt tussen de netto vervreemdingsopbrengst en de eigenwoningschuld  - voor toepassing van de restschuldfaciliteit in aanmerking. En dat kan resulteren in een gevolg, dat op gespannen voet lijkt te staan met de aan die faciliteit ten grondslag liggende doelstelling.

Niet iedere restschuld is een fiscale restschuld

Uit de laatste hiervoor genoemde voorwaarde volgt dat niet iedere restschuld in civielrechtelijke zin, ook een restschuld in fiscaalrechtelijke zin is. Enkel voor zover op de verwerving, het onderhoud en/of de verbetering van een eigen woning betrekking hebbende (hypothecaire) geldleningen fiscaal als eigenwoningschuld worden aangemerkt, worden zij in aanmerking genomen bij de vaststelling van dat vervreemdingssaldo. Denkbaar is evenwel dat ter zake van een verwerving een eigen woning aangegane (hypothecaire) geldlening(en) door toedoen van de  al genoemde bijleenregeling geheel of gedeeltelijk niet als fiscale eigenwoningschuld wordt aangemerkt.

Civielrechtelijk is alsdan uiteraard nog steeds sprake van één of meer schulden, die op een eigen  woning betrekking hebben en die bij een eventuele verkoop van de nieuwe eigen woning gewoonlijk afgelost zullen moeten worden, maar die fiscaalrechtelijk niet volledig als eigenwoningschuld worden aangemerkt. De hiervoor geschetste restschuldproblematiek hoeft zich uiteraard niet te beperken tot enkel en alleen fiscaal erkende eigenwoningschulden. Aan de hand van een voorbeeld kan dat worden geïllustreerd.

Voorbeeld

Stel belastingplichtige X heeft sinds mei 2005 een eigen woning waarop een totale (hypothecaire) geldlening rust van € 230.000. Daarvan wordt € 180.000 aangemerkt als fiscale eigenwoningschuld, en behoort € 50.000 als gevolg van de bijleenregeling tot de rendementsgrondslag van box 3. Verkoopt de heer X die woning nu voor € 200.000, dan realiseert hij fiscaal gezien een ‘verkoopwinst' (een positief vervreemdingssaldo) van € 20.000, waardoor hij niet voor toepassing van de restschuldfaciliteit in aanmerking komt. Dit terwijl de realiteit is dat in civielrechtelijke zin nog een schuld resteert van € 30.000 (hierna geduid als ‘bijleenrestschuld').

Toepassingsbereik te beperkt?

Het geschetste voorbeeld roept de vraag op of – gelet op de aan de restschuldfaciliteit ten grondslag liggende doelstelling – een ruimer toepassingsbereik daarvan niet op zijn plaats is? Bezien vanuit de achterliggende doelstelling lijkt dat niet onlogisch.  Het onverkort uitbreiden van dat toepassingsbereik met de hiervoor geïllustreerde en fiscaal niet-erkende ‘bijleenrestschuld', zou echter miskennen dat de belastingplichtige in kwestie de in het verleden behaalde verkoopwinst welbewust niet heeft aangewend ter financiering van de eigen woning. Daarin stond hij vrij, maar het lijkt alsdan geen pas te geven eventuele negatieve financiële gevolgen van die keuze thans te faciliteren.

Dit argument is echter niet ‘waterdicht', nu het niet-aanwenden van verkoopwinsten zich ook vóór invoering van de bijleenregeling kon manifesteren, en een thans ontstane fiscale restschuld evenzogoed een uitvloeisel daarvan kan zijn. En het in die gevallen alsnog achterhalen van het ‘consumptieve' karakter van (een deel van) de in aanmerking te nemen fiscale restschuld – met het oog op het uitzonderen daarvan van de onderhavige faciliteit - lijkt mij praktisch een (zeer) lastige, zo niet ondoenlijke, aangelegenheid. Een en ander overziend, constateer ik dat het niet in aanmerking nemen van civielrechtelijk wel bestaande, maar fiscaal niet-erkende restschulden, een logische doch wringende paradox vormt.

U moet inloggen om te kunnen stemmen op dit artikel.
Gemiddelde (0 Stemmen)
De gemiddelde waardering is 0.0 sterren van de 5.

0 reacties
Nog 1500 karakters
Mark Robben
Drs. M.T.E. (Mark) Robben is werkzaam als wetenschappelijk medewerker/docent aan het Fiscaal Economisch Instituut (FEI) van de Erasmus Universiteit Rotterdam (www.feibv.nl) en tevens zelfstandig belastingadviseur in Rotterdam (www.robbenfiscalisten.nl). Meer lezen