Detachering versus btw-vrijgestelde zorg

Een omschrijving van het begrip ‘detachering' ontbreekt in de btw-wetgeving. Het is dan ook niet vreemd dat steeds meer verwarring ontstaat over het al dan niet toepassen van de btw-vrijstelling bij het aanbieden van arbeid in de zorgsector. Deze verwarring heeft te maken met een vermoedelijke fiscale ongelijke positie van zorgaanbieders en commerciële ondernemingen.

Het FD-artikel ‘Ondernemers laken controle door fiscus op btw in de zorg' van 30 januari 2013 brengt deze fiscale ongelijkheid helder naar voren.  Uitzendbureaus in de zorgsector worden weggedrukt door zzp-ers en zorgmaatschappijen die geen btw aan de ziekenhuizen in rekening brengen, zo luidt het verwijt. Het opzoeken van deze publiciteit heeft geleid tot kamervragen aan de staatssecretaris van Financiën (vanuit de PvdA).

Verwacht wordt dat de staatssecretaris geen baanbrekende antwoorden zal verstrekken en ‘gewoon' conform de huidige nationale jurisprudentie zal reageren. Op 7 februari 2013 is een uitspraak van Hof Amsterdam gepubliceerd waarbij deze ‘fiscale ongelijkheid' wederom een bepalende factor blijkt. De belanghebbende is een zorgmaatschap in de vorm van samenwerkende anesthesiemedewerkers en operatieassistenten die door deze maatschap zelf ter beschikking worden gesteld aan diverse ziekenhuizen. De anesthesiemedewerkers en operatieassistenten werken op basis van kortdurende overeenkomsten variërend van een maand tot een jaar en werken onder leiding en toezicht van de anesthesioloog of chirurg van het ziekenhuis.

Het Hof heeft geoordeeld dat de maatschap zelf geen medische diensten verricht en dat haar diensten ook geen onlosmakelijk geheel vormen met de prestaties van het ziekenhuis. Volgens het Hof treed de maatschap tevens rechtstreeks in concurrentie met uitzendbureaus die over hun diensten btw moeten voldoen. De maatschap is btw verschuldigd over zijn diensten, aldus het Hof.

De eerste argumentatie van het Hof in deze procedure is naar mijn mening goed te volgen. Een operatieassistent verricht geen diensten die voor de patiënt een doel op zich vormen, dus geen btw-vrijgestelde medische dienst maar detachering. Deze uitkomst zal voor de zorgsector niet als verassing komen. Echter, de opmerking van het Hof dat de diensten niet nauw samenhangen met medische verzorging omdat concurrentieverstoring optreedt met uitzendbureaus, is naar mijn mening wat kort door de bocht.

Het Hof geeft aan dat deze rechtstreekse mededinging strijdig is met het beginsel van de fiscale neutraliteit, een algemeen rechtsbeginsel dat zich verzet tegen een ongelijke behandeling van diensten die met elkaar concurreren. Als we kijken naar de kortdurende overeenkomsten waarmee het ziekenhuis flexibiliteit inkoopt, dan lijken de diensten van de zorgmaatschappij en het uitzendbureau inderdaad met elkaar te concurreren. Maar als we kijken naar de aard van de prestatie dan zien we wezenlijke verschillen.

Prestaties die logischerwijs verband houden met ziekhuisverpleging of prestaties die niet volledig losstaan van ziekenhuisverpleging kunnen onder de btw-vrijstelling vallen (zie o.a. HvJ EU, 6 november 2003, nr.C-45/01, "Christophe Dornier"). Dat de ter beschikking stelling van telefoons en televisietoestellen aan ziekenhuispatiënten geen samenhang vertoont met ziekenhuisverpleging en daardoor een concurrentie verstorende werking heeft, is mijns inziens volstrekt begrijpelijk (HvJ EU, 1 december 2005, nr.C-394/04, "Ygeia").

Een zorgmaatschap daarentegen streeft naar mijn idee een maatschappelijk medisch doel na, namelijk de bescherming van de menselijke gezondheid. Dat is toch net iets anders dan het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van zorgpersoneel, hetgeen een uitzendbureau in algemene zin nastreeft.

De verwarring omtrent de btw-positie van aanbieders van arbeid in de zorgsector is begrijpelijk. Mede gelet op het doel van de betreffende btw-vrijstelling, namelijk de kosten van medische verzorging te verlagen en deze verzorging beter toegankelijk te maken voor particulieren, is een bredere toepassing van de medische btw-vrijstelling naar mijn idee wenselijk. 

U moet inloggen om te kunnen stemmen op dit artikel.
Gemiddelde (4 Stemmen)
De gemiddelde waardering is 5.0 sterren van de 5.

0 reacties
Nog 1500 karakters
Roderick Knipsael
Roderick Knipsael is sinds 2009 als btw-specialist verbonden aan Baker Tilly Berk. Hij studeerde fiscaal recht aan de Universiteit van Maastricht en volgde daarbij het accent indirecte belastingen. Voorts heeft Roderick zich binnen het btw-vakgebied gespecialiseerd in de advisering van (semi)overheidsorganisaties en de non-profit sector (o.a. onderwijs- en zorginstellingen). Daarnaast publiceert Roderick regelmatig in vakbladen op het gebied van de indirecte belastingen. Meer lezen