Geen oud BPM-tarief bij registratie van nieuwe auto

Hof Amsterdam oordeelt in hoger beroep dat de BPM-tariefbepalingen in overeenstemming zijn met art. 110 VWEU omdat geen onderscheid wordt gemaakt tussen nieuwe auto's die wel en nieuwe auto's die niet in een andere EU-lidstaat geregistreerd zijn geweest.

X bv doet in april 2015 bpm-aangifte ter zake van de registratie van een Volvo V40 met een km-stand van 52. Er is € 733 aan BPM voldaan. Volgens X bv is het een gebruikte auto. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op, omdat het een nieuwe auto is. Inmiddels is niet meer in geschil dat de naheffing terecht is (zie HR 27 januari 2017, nr. 16/02949, V-N 2017/7.20). X bv stelt echter dat de BPM moet worden berekend naar het tarief zoals dit gold in 2014. Als bewijs overlegt X bv een overzicht uit het kentekenregister waaruit blijkt dat twaalf nieuwe referentieauto's, die in 2015 voor het eerst in Nederland in gebruik zijn genomen, in de BPM-heffing zijn betrokken naar het tarief van 2014. Volgens Rechtbank Noord-Holland is het EU-recht geschonden omdat een hogere BPM is geheven dan bij de registratie van vergelijkbare nieuwe auto's. Bij de referentieauto's heeft het belastbare feit zich namelijk ook voorgedaan in 2015 en is conform art. 16a Wet BPM 1992 toch het tarief van 2014 toegepast. De aanslag wordt verlaagd naar € 360. De inspecteur gaat in hoger beroep.

Hof Amsterdam oordeelt dat de BPM-tariefbepalingen in overeenstemming zijn met art. 110 VWEU omdat geen onderscheid wordt gemaakt tussen nieuwe auto's die wel en nieuwe auto's die niet in een andere EU-lidstaat geregistreerd zijn geweest. X bv had de auto conform art. 16a Wet BPM 1992 in januari of februari 2015 op naam kunnen stellen. X bv heeft er echter voor gekozen om dit niet te doen. De stelling van X bv dat art. 16a tot een resultaat leidt dat zich niet verdraagt met art. 110 VWEU treft in zoverre dus geen doel. De omstandigheid dat soms te weinig BPM op aangifte wordt voldaan, maakt ook niet dat de wet onverenigbaar is met art. 110 VWEU. Er is ook niet gesteld of gebleken dat naheffing bewust achterwege blijft. Het beroep van de inspecteur is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 110

Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 16a

U moet inloggen om te kunnen stemmen op dit artikel.
Gemiddelde (0 Stemmen)
De gemiddelde waardering is 0.0 sterren van de 5.

0 reacties
Nog 1500 karakters

Opinie

De Staatssecretaris van Financiën houdt er rekening mee dat de...
Recent is een aantal documenten over het ‘‘nalevingstekort''...
Het aantrekken van fiscale boegbeelden acht ik een goede...
Ik wil rond de feestdagen nog maar eens benadrukken dat...
Een van de belangrijkste fiscale regelingen voor...

                   

Procedures melden

Heeft u een fiscale procedure gevoerd en is deze zaak nog niet gepubliceerd op rechtspraak.nl? Stuur uw procedure naar de redactie!