Toch btw-aftrek voor 'verdisconteerde' kosten

Op 18 juli 2013 heeft het HvJ EU in de procedure "PPG Holdings BV" een opmerkelijke uitspraak gedaan. De belanghebbende in deze procedure (PPG) kon de btw op kosten die bedrijfseconomisch voor haar rekening kwamen, maar zijn gemaakt ten behoeve van een stichting pensioenfonds, toch in aftrek brengen. Het HvJ EU wijst dus PPG aan als afnemer van de diensten. Vermeldenswaardig is dat de inspecteur, de Rechtbank, de advocaat-generaal, de Nederlandse regering en het Verenigd Koninkrijk daar anders over dachten.

Casus PPG

In het kort de casus. PPG heeft ten behoeve van haar werknemers een pensioenregeling gesloten en die ondergebracht in een juridisch en fiscaal afgescheiden stichting. De premies worden volledig door PPG betaald. Voor het beheer en de bedrijfsvoering van het pensioenfonds heeft PPG diverse dienstverleners ingeschakeld, betaald en deze kosten niet doorberekend aan het pensioenfonds. De btw op deze kosten heeft PPG volledig in aftrek gebracht. Één van de vragen die het Gerechtshof Leeuwarden aan het HvJ EU heeft voorgelegd is of PPG de btw op deze kosten in aftrek kon brengen. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat PPG de btw over de betreffende diensten in aftrek mag brengen, mits uit het geheel van de omstandigheden van de betrokken transacties een rechtstreeks en onmiddellijk verband met de activiteiten van PPG naar voren komt.

Dit verband wordt vervolgens gelegd met de algehele economische activiteit van PPG. De kosten dienen deel uit te maken van haar algemene kosten en als zodanig bestanddelen van de prijs van de producten van PPG te zijn. De activiteiten van PPG zijn in dat geval namelijk de uitsluitende oorzaak van de afgenomen diensten. Het HvJ EU ziet een duidelijk rechtstreeks en onmiddellijk verband.

Toch blijven twee vragen hangen na dit arrest. Welke mix van criteria bepalen eigenlijk het bestaan van een rechtstreeks en onmiddellijk verband en wat te doen bij meerdere verbanden?

Rechtstreeks en onmiddellijk verband

Het HvJ EU oordeelt dat het opnemen van kosten in de prijs van de activiteiten van PPG de doorslag geeft. Hiermee wordt de zogenaamde verdisconteringstoets bedoeld. Tezamen met het feit dat PPG de overeenkomsten is aangegaan en de betaling van de kosten op zich heeft genomen, kan PPG als afnemer van de diensten worden aangemerkt. Het HvJ EU voegt daaraan nog toe dat in die omstandigheden de activiteiten van PPG de uitsluitende oorzaak van de afgenomen diensten zijn. Zonder activiteiten van PPG, geen werknemers en zonder werknemers geen pensioenkosten. Een oorzakelijk verband dus.

Daartegenover staat dat, zo concludeert ook de AG, de diensten in eerste instantie zijn aangekocht met het oog op de activiteiten en de doelstelling van het pensioenfonds, namelijk het realiseren van een pensioenuitkering. Dit verband doet volgens het HvJ EU niet of slecht in een zwakkere vorm ter zake. Aangezien geen contractuele relaties tussen de dienstverleners en het pensioenfonds bestaan en omdat het pensioenfonds niet heeft betaald, is dit verband naar mijn  mening misschien wel zwakker maar wel degelijk rechtstreeks en onmiddellijk. De verdisconteringstoets en een oorzakelijk verband trekt het HvJ EU toch de kant op van PPG. Het lijkt erop dat het HvJ EU de directe koppeling aan het pensioenfonds niet wil maken wanneer andere verbanden bedrijfseconomisch wijzen naar de algehele bedrijfsactiviteit van PPG.

Hoe dan ook biedt dit arrest mogelijkheden voor de praktijk.

Bedrijfseconomische benadering

Ondernemingspensioenfondsen kunnen bepaalde kosten, bijvoorbeeld kosten voor de controle van de jaarrekening, advisering, vermogensbeheer of administratie "bedrijfseconomisch" vanuit btw-oogpunt beter niet zelf verwerken. Het PPG arrest lijkt ruimte te bieden aan gelieerde aftrekgerechtigde entiteiten om deze kosten als algemene kosten op te nemen en de voorbelasting in aftrek te brengen. De vraag is of deze handelswijze ook door andere niet-aftrekgerechtigde entiteiten zoals beleggingsinstellingen, houdstermaatschappijen en personal holdings kan worden toegepast. Hier is echter het oorzakelijk verband niet of in mindere mate aanwezig.

Tevens zal naar mijn mening de toepassing van de verdisconteringstoets nog een lastig punt vormen. In ieder geval zal het niet makkelijk zijn aan te tonen dat de kosten bestanddelen van de prijs van de uitgaande activiteiten vormen. Dat is tenslotte wat het HvJ EU vraagt. Naar het contract kijken was makkelijker geweest. De contractuele bepalingen zijn echter niet doorslaggevend voor de btw. Dit bleek recent nog uit het "Newey" arrest van het HvJ EU (20 juni 2013) waarin met name de economische en commerciële realiteit naar voren werd geschoven. Ook de PPG uitspraak heeft enigszins deze economische benadering. Laten we afwachten waar ons dit brengt.

U moet inloggen om te kunnen stemmen op dit artikel.
Gemiddelde (0 Stemmen)
De gemiddelde waardering is 0.0 sterren van de 5.

0 reacties
Nog 1500 karakters
Roderick Knipsael
Roderick Knipsael is sinds 2009 als btw-specialist verbonden aan Baker Tilly Berk. Hij studeerde fiscaal recht aan de Universiteit van Maastricht en volgde daarbij het accent indirecte belastingen. Voorts heeft Roderick zich binnen het btw-vakgebied gespecialiseerd in de advisering van (semi)overheidsorganisaties en de non-profit sector (o.a. onderwijs- en zorginstellingen). Daarnaast publiceert Roderick regelmatig in vakbladen op het gebied van de indirecte belastingen. Meer lezen