Fiscale eigenwoningproblematiek door nieuw huwelijksvermogensrecht onder tafel geschoven

Ondanks dat de beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen nog niet is ingegaan, dienen de eerste fiscale onvolkomenheden van deze civiele wetgeving zich al aan in de eigenwoningregeling. Het ministerie van Financiën lijkt vooralsnog niet bereid eventuele fiscale tekortkomingen te willen corrigeren. Ruben Stam spreekt van een verontrustende ontwikkeling.

Beperkte gemeenschap

Op 1 januari 2018 treedt het nieuwe huwelijksvermogensrecht in werking, met als standaardstelsel de beperkte gemeenschap van goederen. Lange tijd is verkondigd dat deze switch van algehele naar beperkte gemeenschap van goederen een puur civielrechtelijke aangelegenheid is, zonder fiscale gevolgen. In een brief van 14 april 2017 nuanceert  voormalig staatssecretaris Wiebes van Financiën dit voor het eerst. Hij geeft aan dat de beperkte gemeenschap in beginsel leidt tot andere civielrechtelijke én fiscale gevolgen dan het huidige standaardstelsel van de algehele gemeenschap. Wie vanaf 2018 het ja-woord geeft, trouwt automatisch in beperkte gemeenschap van goederen en kan alleen met huwelijkse voorwaarden de huidige situatie creëren, om zo de eventuele fiscale gevolgen verbonden aan het nieuwe huwelijksvermogensrecht te voorkomen.
 
Onder het nieuwe huwelijksvermogensregime blijft voorhuwelijks vermogen privévermogen, evenals de tijdens het huwelijk verkregen giften en erfenissen. Wat vóór het trouwen privé is, blijft dus privé, maar dit geldt niet altijd voor het voorhuwelijkse eigenwoningverleden.

Eigenwoningverleden

De problemen ontstaan met name wanneer mensen volgend jaar (of later) trouwen in beperkte gemeenschap van goederen en vervolgens samen een eigen woning kopen, waarbij één van de partners (of beiden) een nog niet vervallen eigenwoningreserve heeft staan. "De vraag is dan of die eigenwoningreserve gemeenschappelijk wordt," aldus fiscalist Stam die tevens expert is op het gebied van de eigenwoningregeling. "Binnen de eigenwoningregeling staat de wetgever een ‘economische benadering' voor ogen. Dit houdt in dat bij een huwelijk in gemeenschap van goederen partners over en weer voor de helft in elkaars eigenwoningverleden stappen. Maar in het nieuwe huwelijksvermogensrecht blijft nu juist het voorhuwelijkse privé. Gaat het eigenwoningverleden dan nog wel voor de helft van de ene partner over op de andere partner? Als dit niet zo is, dan gaat dit ‘fiscaal pijn' doen. Wanneer in dit geval straks bij de aankoop van een nieuwe woning rekening wordt gehouden met de bestaande eigenwoningreserve en er naast een annuïtaire hypotheek ook nog een stukje aflossingsvrij geleend wordt, pakt dit voor beide partners fiscaal bijzonder ongunstig uit."

Ongewenste uitkomst

Al in 2016 schreef Stam in het Vakblad Financiële Planning over de (ongewenste) effecten van het nieuwe huwelijksvermogensregime op de eigenwoningregeling. Dit artikel was reden voor de CDA Tweede Kamerfractie om de staatssecretaris hierover te bevragen. In zijn brief van 14 april 2017 schrijft voormalig staatssecretaris Wiebes dat toepassing van de eigenwoningreserve bij gezamenlijke financiering van de nieuwe eigen woning niet tot de gewenste uitkomst leidt. Daarom wil hij bezien in hoeverre dit meer in lijn kan worden gebracht met de doelstelling van de bijleenregeling.
 
Maar daarmee zijn deze woorden van de voormalig bewindsman van Financiën nog niet omgezet in daden. Daarom hebben de leden van de CDA-fractie opnieuw aan de bel getrokken, ditmaal in de schriftelijke vragenronde over het Belastingplan 2018. Zij willen van de staatssecretaris weten of één en ander gaat leiden tot aanpassing van de wet- of van de regelgeving over de bijleenregeling.
 
De reactie van Wiebes in de nu verschenen nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2018 is teleurstellend. Aangezien de vraag van de CDA-fractie geen relatie heeft met onderwerpen uit het pakket Belastingplan 2018, schuift hij deze door naar zijn ambtsopvolger die hier naar alle waarschijnlijkheid pas in 2018 met een afzonderlijke brief antwoord op zal geven.

Noodklok

Stam vindt deze doorschuifactie van Wiebes niet verstandig. Het nieuwe huwelijksvermogensrecht is op 1 januari 2018 immers een feit. "Wiebes lijkt met zijn brief van 14 april 2017 te erkennen dat de beperkte gemeenschap uitstralingseffecten heeft naar de eigenwoningregeling. De beperkte gemeenschap van goederen conflicteert dan met de fiscale eigenwoningregeling," aldus Stam. "Door het vooruit schuiven belast de staatssecretaris aankomende echtelieden met een eigenwoningverleden met extra kosten. Volgens de uitleg van de voormalig staatssecretaris zijn zij straks genoodzaakt om huwelijkse voorwaarden aan te gaan en volledig annuïtair te lenen. Dat kost geld. In de praktijk leidt deze oplossing in sommige gevallen tot minder leenruimte en daarmee tot verplicht ‘kleiner' wonen."
 
"Het is aan de wetgever om vóór 2018 met een passende oplossing te komen," vervolgt Stam. "Die oplossing ligt voorhanden door binnen de hele eigenwoningregeling ook voor de beperkte gemeenschap van goederen, in tegenstelling tot het civielrechtelijke, uit te blijven gaan van de economische benadering. Dus ook al trouw je in beperkte gemeenschap van goederen, dan nog stap je voor de helft in het eigenwoningverleden van je partner. Daarmee neemt de wetgever voor een groot gedeelte de pijn uit de eigenwoningregeling weg die dreigt te ontstaan door het nieuwe huwelijksvermogensrecht." 
[ Bron: Redacteur Marit Muller ]
U moet inloggen om te kunnen stemmen op dit artikel.
Gemiddelde (0 Stemmen)
De gemiddelde waardering is 0.0 sterren van de 5.

0 reacties
Nog 1500 karakters