Slordig taalgebruik

Sjoerd Douma ergert zich aan slordig taalgebruik in de fiscaliteit.

Ik weet niet wat het met mij is, maar ik kan niet tegen slordig taalgebruik. Het kan van alles zijn. Een collega die het heeft over de ‘wet vennootschapbelasting' (zonder ‘s' in het midden van het laatste woord en zonder de woorden ‘op de' na het woord ‘wet' dat overigens als enige woord met een hoofdletter dient te worden geschreven): verschrikkelijk!
 
Of de belastingdienst die een deel van zijn website wijdt aan ‘Heffingsvrij vermogen' in box 3 (hier wordt juist weer een ‘s' te veel gebruikt). Aargh! De rillingen lopen mij over de rug. Waarom, zult u zich wellicht afvragen? Het is toch duidelijk wat er wordt bedoeld? Get a life! Zeker, akkoord, maar daar gaat het niet om. Slordig taalgebruik geeft mij het gevoel dat degene die zich ervan bedient zijn vak als fiscaal jurist niet serieus neemt. Fiscalisten proberen de complexe fiscale wereld uit te drukken in wetten, beleidsregels, adviezen, wetenschappelijke artikelen en nog veel meer. Taal is ons enige instrument daarbij. Als men zoiets eenvoudigs als een wettelijke term niet eens juist kan gebruiken, wat zegt dit dan over de kwaliteit van de rest van het geproduceerde stuk? Het leidt af, zet aan tot ergernis en is volkomen onnodig. Stop daar dus mee! 
 
Tot mijn grote spijt en teleurstelling heb ik moeten vaststellen dat het verval ook is doorgedrongen tot rechterlijke uitspraken en arresten. Hoe vaak moet ik niet lezen: "de rechtbank is van oordeel dat" of "het Hof is van oordeel dat", gevolgd door een zuiver rechtsoordeel? De rechter hééft geen oordeel over het recht, want hij kent het!
 
Maar het absolute dieptepunt trof ik onlangs aan in een arrest van de Hoge Raad waarbij hij prejudiciële vragen voorlegde aan het Hof van Justitie. De Hoge Raad overwoog onder meer: "Het is echter de vraag of het buitenlandse beleggingsfonds een recht op teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting kan ontlenen aan de omstandigheid dat hij wordt belemmerd bij het aantrekken van in Nederland woonachtige of gevestigde beleggers." U leest het goed: ‘hij'. Maar wie is dat dan? Uit de context maak ik op dat de Hoge Raad het beleggingsfonds bedoelt. Als dat het geval is, had de Hoge Raad het persoonlijk voornaamwoord ‘het' moeten gebruiken. Zou de Hoge Raad dit soort werkelijk elementaire dingen niet meer weten? Ik hoop dat het hier een eenmalige vergissing betreft, want anders zijn we als fiscaal juristen reddeloos verloren. 
 
Auteur: Sjoerd Douma

1 reactie
 
koosboer
Een slordigheidje kan gebeuren, maar laatst trof ik deze onbegrijpelijke zin aan in een uitspraak: l dan t de rechtbank niet meer toe aan de andere toets van artikel 17, derde lid, onder b, Wet Vpb, te weten of p gevestigd en (zie ECLI:NL:RBDHA:2017:1320, r.o. 18, laatste zin). Geen idee hoe dat toch heeft kunnen gebeuren.
06 april 2017 12:23

Fiscale ergernissen

                   

Meest gelezen