Conserverende heffing over pensioen bij emigratie naar Israël kan in strijd zijn met goede (verdrags)trouw

De Hoge Raad oordeelt dat er geen sprake van strijd met de goede verdragstrouw hoeft te zijn. Daarvan is namelijk geen sprake voor zover het gaat om aanspraken en bijdragen ingevolge de pensioenregeling die na 15 juli 2009 op grond van art. 3.81 Wet IB 2001 niet tot het loon zijn gerekend.

Belanghebbende, X, houdt de aandelen in A bv, waarin de pensioenaanspraken van X zijn ondergebracht. X emigreert in 2012 naar Israël. De pensioenaanspraken hebben op dat moment een waarde van € 48.121. De inspecteur legt, conform de aangifte, een conserverende IB-aanslag 2012 op naar een te conserveren belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.121 en een te conserveren belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 800.694. X is van mening dat het belasten van de pensioenbijdragen en -aanspraken op het moment van emigratie in strijd is met de goede (verdrags)trouw die Nederland ten aanzien van het belastingverdrag met Israël in acht dient te nemen. X wijst er daarbij op dat het heffingsrecht over pensioenen, op grond van art. 20 belastingverdrag NL - Israël, is voorbehouden aan Israël, de woonstaat. Rechtbank Den Haag oordeelt dat het opleggen van een conserverende aanslag op grond van art. 3.136 lid 3 Wet IB 2001 in strijd is met de goede verdragstrouw die Nederland ten aanzien van het belastingverdrag met Israël in acht dient te nemen. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2009, nr. 43978 (V-N 2009/29.9). De rechtbank overweegt daarbij dat Nederland, met de invoering van art. 3.136 lid 3 Wet IB 2001, als reactie op het arrest, wederom een fictie in de nationale wetgeving heeft geïntroduceerd waarmee door een eenzijdige nationale wetswijziging het toewijzingsartikel in het belastingverdrag NL - Israël van zijn werking wordt ontdaan. De rechtbank stelt vervolgens vast dat ten tijde van de totstandkoming van het belastingverdrag NL - Israël ten aanzien van pensioenen niet een met art. 3.136 lid 3 Wet IB 2001 vergelijkbare bepaling in de Nederlandse wetgeving was opgenomen. Door invoering van dit artikel is een wezenlijk andere situatie ontstaan dan die welke ten tijde van het afsluiten van het belastingverdrag NL - Israël van toepassing was. De rechtbank stelt X in het gelijk en vermindert de aanslag naar een te conserveren belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 800.694. De staatssecretaris gaat in (sprong)cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat er geen sprake is van strijd met de goede verdragstrouw die Nederland ten aanzien van het belastingverdrag met Israël in acht dient te nemen, voor zover het gaat om aanspraken en bijdragen ingevolge de pensioenregeling die na 15 juli 2009 op grond van art. 3.81 Wet IB 2001 niet tot het loon zijn gerekend. De Hoge Raad wijst daarbij op zijn recente arrest van 14 juli 2017, nr. 17/01256 (V-N 2017/38.9). Vervolgens verwijst de Hoge Raad de zaak naar Rechtbank Noord-Holland om het te conserveren belastbaar inkomen uit werk en woning van X te berekenen.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen 20

Wet inkomstenbelasting 2001 3.136

Wet inkomstenbelasting 2001 3.80

U moet inloggen om te kunnen stemmen op dit artikel.
Gemiddelde (0 Stemmen)
De gemiddelde waardering is 0.0 sterren van de 5.

0 reacties
Nog 1500 karakters

Opinie

Een van de kennelijk meest brisante fiscale maatregelen van...
Zo aan het eind van het jaar geef ik graag toe aan de neiging...
Al jaren klinken geluiden over mogelijke...
Aftrekposten kunnen in de toekomst nog slechts tegen het...
Madeleine Merkx ergert zich aan internetconsultaties die...

                   

Procedures melden

Heeft u een fiscale procedure gevoerd en is deze zaak nog niet gepubliceerd op rechtspraak.nl? Stuur uw procedure naar de redactie!