Aanslag; wie is om de post bezorgd?

Aanslagen moeten op tijd worden vastgesteld, aldus (onder andere) artikel 5 van de AWR. Gebeurt dat niet, dan zal de inspecteur tegemoet moeten komen aan een bezwaar op dat punt en verspeelt hij zijn recht op belastingheffing.

Op 29 juni 2012 heeft de Hoge Raad geoordeeld (LJN: BW0194) over een aanslag die wel tot stand was gekomen maar naar een verkeerd adres was gezonden. De Hoge Raad zet daarin uiteen dat de Awb een onderscheid maakt tussen de vaststelling (het tot stand komen) van een aanslag en de bekendmaking daarvan door terpostbezorging. Het feit dat een aanslag niet juist is bekend gemaakt, laat volgens de Hoge Raad onverlet dat deze wel tot stand is gekomen.

Dat roept de vraag op of het voor toepassing van artikel 5 AWR voldoende is dat de aanslag is vastgesteld. Praktisch zou dat dan kunnen betekenen dat als de inspecteur een aanslag vastgesteld (in het systeem invoert en op papier vastlegt) en deze vervolgens in zijn bureaulade stopt, hij heeft voldaan aan het vereiste van artikel 5 AWR.

Gelukkig heeft de Hoge Raad al eerder (op 6 december 1989, LJN: ZC4175 en op 15 november 1995, LJN: AA1687) geoordeeld dat de aanslagtermijn van (onder andere) artikel 5 AWR alleen dan tot zijn recht komt als de aanslag ook binnen de aanslagtermijn wordt verzonden (ter post wordt bezorgd). Als de aanslag na verloop van deze termijn wordt verzonden, geldt volgens de Hoge Raad de datum van terpostbezorging als uitgangspunt voor de vraag of is voldaan aan het vereiste van artikel 5 AWR. Voor toepassing van de aanslagtermijnen is het dus wel degelijk van belang dat de aanslag niet alleen wordt vastgesteld – waar deze bepaling slechts over rept – maar ook dat deze binnen de aanslagtermijn wordt verstuurd. Een aanslag die na de aanslagtermijn pas wordt verzonden is vernietigbaar.

Voor aanslagen die begin 2013 worden ontvangen kan het dus nut hebben om te betwisten dat deze  – hoewel deze in 2012 is gedagtekend – tijdig ter post is bezorgd. Daarbij is opgemerkt dat uit de rechtspraak (bijv. LJN BR5196) blijkt dat bij onduidelijkheid over de terpostbezorging een termijn van twee werkdagen tussen de terpostbezorging en de ontvangst als uitgangspunt geldt. Het is dan aan de inspecteur om te bewijzen dat de aanslag wel op tijd is verzonden. Dat lijkt mij een mooi begin van het nieuwe jaar!

U moet inloggen om te kunnen stemmen op dit artikel.
Gemiddelde (0 Stemmen)
De gemiddelde waardering is 0.0 sterren van de 5.

0 reacties
Nog 1500 karakters
Ivo Leenders
Ivo Leenders is partner bij Hertoghs advocaten-belastingkundigen en heeft zich gespecialiseerd in FIOD zaken, fiscale (boete) procedures en invorderingskwesties. Ivo verzorgt regelmatig lezingen en doceert aan de Tilburg University het master vak fiscaal strafrecht. Ivo studeerde rechten aan de Maastricht University, waar hij ook gastcolleges verzorgd. Voor zijn beëdiging heeft hij ervaring opgedaan als adviseur bij een van de grote belastingadvieskantoren. Meer lezen