Agro-column: Van ‘boterberg’ naar fosfaatproductieplafond

Bert van den Kerkhof vraagt zich af hoe je moet omgaan met een ondernemer die zijn melkveehouderij staakt maar zijn onderneming voort blijft zetten. Welke kwalificatie krijgt de subsidie? Nog meer beladen is de vraag hoe in fiscale zin met de fosfaatrechten moet worden omgegaan.

In de zeventiger jaren van de vorige eeuw vond er een explosieve groei en schaalvergroting in de agrarische sector plaats als uitvloeisel van het plan Mansholt. Begin tachtiger jaren ontstond al snel het besef dat een ongebreidelde schaalvergroting in de agrarische sector ook negatieve kanten heeft. Weliswaar leidde de revolutionaire aanpak van Mansholt voor een groter en goedkoper voedselaanbod, maar de keerzijde zag men terug in de milieubelasting en het overschot dat onder andere tot ‘melkplassen'" en een 'boterberg'  leidde.
 
De invoering van het quotumstelsel bracht in de tachtiger jaren, nadat dit stelsel met enige scepsis was ontvangen, voor de meeste melkveehouders economisch voordeel. Doordat de melkproductie werd gequoteerd ging de melkveehouder zijn melkvee beter selecteren en zich meer toeleggen op het beperken van de kosten, waardoor de bedrijfseconomische resultaten toenamen. Door de handel in quotum konden bedrijven die wilden groeien quotum bijkopen en konden melkveehouders die hun onderneming wilden beëindigen min of meer 'warm' saneren. Jarenlang kon de melkveehouder in Nederland zijn melkveebedrijf dan ook in betrekkelijke rust uitoefenen en daarmee een redelijk belegde boterham verdienen.
 
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw werd duidelijk dat het stelsel van melkquotum op termijn zou gaan verdwijnen. Geleidelijk werden de melkveehouders weer onrustig. Het probleem was niet alleen de dalende waarde van het quotum, maar door de ontwikkelingen in de markt de eveneens dalende prijs per kg. melk, waardoor het inkomen onder druk kwam staan.  
 
Melkveehouders die uit wilden breiden gingen steeds uitdrukkelijker voorsorteren op de toekomst. In het zicht van de einddatum van het melkquotum d.d. 1 april 2015 werden mede op advies van bedrijfsadviseurs, nieuwe en grotere stallen gebouwd. Als een soort ‘wed race'  werd afgestormd op de einddatum waarop weer onbeperkt melk zou kunnen worden geproduceerd. Het feit dat deze uitbreiding ook verstrekkende gevolgen zou hebben voor het milieu, in het bijzonder het overschot aan fosfaat, werd hierbij genegeerd dan wel als een technisch probleem afgedaan. 
 
Er zijn immers mestverwerkingsinstallaties waarmee de mest kan worden verwerkt was de redenering. Het failliet van de mestfabrieken in de negentiger jaren was men kennelijk vergeten. Hoewel de technische ontwikkelen hun vlucht hebben genomen is de ultieme oplossing nog niet gevonden en zijn de verschillende concepten van mestverwerking in veel gevallen nog steeds in een ontwikkelingsfase. Doordat het fosfaatproductieplafond dreigde te worden overschreden kon de overheid niet anders dan ingrijpen. 
 
Het is opmerkelijk dat de overheid pas zo laat ingreep op de fosfaatproblematiek, die zich al lange tijd aankondigde. Kennelijk werd te veel vertrouwd op het zelfregulerende vermogen in de branche. Met de invoering van de melkveefosfaatreferentie, het fosfaatreductieplan en met ingang van 1 januari 2018 de invoering van het stelsel van fosfaatrechten, wordt nu een muur opgetrokken om de fosfaatproductie in te dammen. Het gevolg is dat er, evenals in de varkens- en pluimveesector, een vergelijkbaar quotumstelsel ontstaat in de vorm van fosfaatrechten.
 
Hoe hard deze ingreep door de overheid ook lijkt, een tanker die op stoom ligt kan men moeilijk afremmen. Om die reden is aan het begin van dit jaar de subsidieregeling bedrijfsbeëindiging melkveehouderrij ingevoerd. In de volksmond wordt deze regeling de stoppersregeling genoemd. Tegen een vergoeding van € 1.200 per melkkoe mogen de melkveehouders die aan de regeling meedoen de rest van het jaar geen melkvee meer houden. De inzet is de hoeveelheid melkkoeien versneld met 60.000 stuks te laten afnemen met als doel de fosfaatproductie in te perken.
 
Om het geheel nog wat kracht bij te zetten hebben de banken aangegeven dat zij, onder voorwaarden, een liquiditeitsvoorziening van € 1.200 als voorfinanciering verstrekken voor de toekomstige fosfaatrechten. Vindt het stelsel van fosfaatrechten geen doorgang dan hoeft deze voorfinanciering niet meer te worden terugbetaald. ….Leuker kunnen ze het niet maken.
 
Dat de overheidsregeling op grote populariteit kon rekenen werd tevoren wel ingeschat. In de praktijk bleek zelfs dat op de eerste dag van inschrijving  de regeling al met een aanzienlijk aantal aanmeldingen werd overschreden.
 
Het blijft de vraag of met de subsidieregeling ‘bedrijfsbeëindiging melkveehouder' de doelstellingen worden bereikt. De term bedrijfsbeëindiging melkveehouderij of stoppersregeling is hierbij enigszins misleidend. De regeling houdt in het kort in dat de melkveehouder in 2017 binnen zes weken na toekenning van de subsidie zijn melkvee en jongvee moet laten slachten of exporteren. Melkkoeien die 6 maanden drachtig zijn krijgen uitstel van executie. Deze melkkoeien mogen eerst nog afkalven om vervolgens inclusief het kalf naar het slachthuis te worden afgevoerd of te worden geëxporteerd. 
 
Na 1 januari 2018 mogen de melkveehouders die nu stoppen volgens de regeling weer melkvee houden. Of dit daadwerkelijk gaat gebeuren is natuurlijk de vraag. Anderzijds moeten deze stoppende melkveehouders voorlopig wel hun bedrijf voort blijven zetten tot de invoering van het stelsel van fosfaatrechten, om in aanmerking te kunnen komen voor de toekenning van fosfaatrechten.
 
Teneinde de productie van fosfaat te reduceren vindt er bij de invoering van het stelsel een generieke korting plaats die wordt ingeschat op 8%. Vervolgens wordt bij iedere overdracht 10% gekort. Daarna moet de markt de rest doen door de handel in fosfaatrechten.
 
Fiscaal roepen deze regelingen de nodige vragen op. Hoe ga je om met een ondernemer die zijn melkveehouderij staakt maar zijn onderneming voort blijft zetten? Welke kwalificatie krijgt de subsidie?
 
Nog meer beladen is de vraag hoe in fiscale zin met de fosfaatrechten moet worden omgegaan. Op basis van het matching principe zou je mogen verwachten dat de investering in fosfaatrechten als bedrijfsmiddel gedurende de nutsperiode afschrijfbaar zou worden gesteld. Opmerkelijk is dat de afschrijving door de staatssecretaris van Economische Zaken wordt geblokkeerd en hij een ‘dam' opwerpt tegen de afschrijving met als argument dat sprake zou zijn van een prijsopdrijvend effect.
 
Ingrijpen op de fosfaatproductie door de invoering van een stelsel van fosfaatrechten is ten behoeve van het milieu te rechtvaardigen., Echter ingrijpen op de prijs door de afschrijving niet parallel te laten lopen met de periode waarin het recht nut afwerpt is in economisch perspectief niet te volgen.
U moet inloggen om te kunnen stemmen op dit artikel.
Gemiddelde (0 Stemmen)
De gemiddelde waardering is 0.0 sterren van de 5.

0 reacties
Nog 1500 karakters
Bert van den Kerkhof
Bert van den Kerkhof is hoofd vaktechniek belastingadvies bij ABAB Accountants en Adviseurs. Hij is specialist op agrofiscaal gebied (inkomsten-, vennootschaps-, omzet-, overdrachts-, erf- en schenkbelasting). Verder is hij voorzitter van de vakgroep recht van de Vereniging van Accountants- en Belastingadviesbureaus (VLB). Meer lezen