Transfer pricing in de btw: geen probleem

Astrid van Dongen begrijpt niet veel van de VPB-adepten: waarom niet gewoon belasting betalen volgens de regels van de wet? Gelukkig ligt dat in de OB anders, vindt zij. Het leerstuk misbruik wordt steeds meer ontwikkeld en ingezet om de heffing van omzetbelasting in lijn met doel en strekking van de wet te brengen. Het leerstuk lost ook weer niet alle problemen op.

Tijdens mijn studie had ik al in de gaten dat de VPB me nooit zou begeesteren. Ik vond transfer pricing, nodig om niet-zakelijke transacties tussen verbonden personen te corrigeren, taai en saai. Door het nooit aflatende kat-en-muisspel tussen de belastingplichtige en de inspecteur wordt de wettekst steeds onleesbaarder. Ik was verbaasd en geïrriteerd dat zij er niet schoon genoeg van kregen en niet besloten normaal te gaan doen. Gewoon, belasting betalen in lijn met doel en strekking van de wet. Met de mij aansprekende leerstukken fraus legis en richtige heffing deden de VPB-adepten niet veel.

Met de OB was het liefde op het eerste gezicht. De wettekst en btw-richtlijnen zijn beter leesbaar en kennen het uit het Unierecht afkomstige leerstuk misbruik. Dat laatste wordt steeds meer ontwikkeld en ingezet om te bereiken dat de heffing van omzetbelasting in lijn met doel en strekking van de wetgeving geschiedt. Het leerstuk lost evenwel niet alle problemen op.

In het vorige decennium werd als mogelijk middel tegen belastingfraude en belastingontwijking het begrip ‘‘normale waarde'' (zie art. 2a lid 1 onderdeel s Wet OB 1968) geïntroduceerd. Dit middel kan worden ingezet als de vergoeding voor de prestatie tussen verbonden personen net de symbolische waarde overstijgt met het doel de belastingdruk te minimaliseren. Dit begint te lijken op transfer pricing in de btw, want wat is de normale waarde anders dan de prijs die in transfer pricing gespecialiseerde fiscalisten zoeken? In art. 8 lid 4 Wet OB 1968 is neergelegd dat de normale waarde als maatstaf van heffing geldt in twee situaties, namelijk (i) de terbeschikkingstelling van een auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden aan een verbonden afnemer die geen volledig recht op aftrek van voorbelasting heeft, en (ii) handelingen als bedoeld in art. 4 lid 3 Wet OB 1968 (dienstverrichtingen binnen het bedrijf). Interessant is dat het hiermee noodzaak is het volledige bedrag te vinden dat de afnemer in dezelfde handelsfase bij vrije mededinging aan een zelfstandige leverancier of dienstverrichter zou moeten betalen op het tijdstip van de levering of de dienstverrichting. Indien geen vergelijkbare levering of dienst beschikbaar is, is de normale waarde van een goed niet lager dan de aankoop- of de kostprijs. Bij een dienst is dat de door de presterende ondernemer gemaakte uitgaven. Dat begint serieus te lijken op een ingewikkeld marktonderzoek om de maatstaf van heffing vast te stellen.

De Hoge Raad oordeelde op 21 april 2017 anders. Met de normale waarde worden, althans bij de auto's, de uitgaven bedoeld die hiervoor zijn gemaakt. De Hoge Raad verwijst naar de Btw-richtlijn en oordeelt dat de maatstaf van heffing niet hoger kan zijn dan de maatstaf die de Btw-richtlijn toestaat. Dan kan het niet ingewikkeld zijn om de normale waarde te berekenen. Een redelijke schatting van de voor het prive´ gebruik van de auto gemaakte kosten volstaat. Het ontbreken van een (sluitende) kilometeradministratie hoeft dus niet fataal te zijn. Wie de bonnetjes kwijt is en niet meer kan vaststellen hoe hoog de voor andere dan bedrijfsdoeleinden gemaakte uitgaven waren, mag met ander bewijs komen. Ook het gebruik van statistische gegevens is mogelijk. En voor de overige gevallen hebben we gelukkig het forfait nog.

Auteur: Astrid van Dongen


0 reacties
Nog 1500 karakters

                   

Meest gelezen

Agenda

Meer agenda