Uitfasering van fiscale pensioenregelgeving

Wordt het niet eens tijd de fiscale pensioenregelgeving verder tegen het licht te houden? Ik denk hierbij met name aan het nucleaire fiscale wapentuig in art. 19b Wet LB 1964 en art. 30i AWR, waarmee de wetgever de belastinginspecteur heeft uitgerust.

Op 1 april 2017 is de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer (etc.) in werking getreden. Verdere opbouw van pensioen in eigen beheer is niet langer onbelast mogelijk. Tot en met 31 december 2019 kan de opgebouwde pensioenaanspraak in eigen beheer volledig worden afgekocht of omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV). Dit gaat gepaard met onbelaste afstempeling van de aanspraak van commerciële naar fiscale balanswaarde, een belastingvrije korting (bij afkoop) en geen toepassing van revisierente. Een vergelijkbare uitfasering heeft in 2014 plaatsgevonden voor (loon)stamrechten. Als van de geboden faciliteiten geen gebruik wordt (is) gemaakt, dan resteert een bevroren aanspraak die op termijn tot uitkering komt en daarna verdwijnt.

Wordt het niet eens tijd de fiscale pensioenregelgeving verder tegen het licht te houden? Ik denk hierbij met name aan het nucleaire fiscale wapentuig in art. 19b Wet LB 1964 en art. 30i AWR, waarmee de wetgever de belastinginspecteur heeft uitgerust. Dit blijft immers van toepassing: op de pensioenaanspraken in eigen beheer, op de ODV-aanspraken alsmede op alle niet-eigenbeheerpensioenen. Met name dit laatste is merkwaardig.

Afkoop of vervreemding van zulke pensioenen is immers niet toegestaan onder de Pensioenwet. Prijsgeven (afstempelen) laat de Pensioenwet onder voorwaarden wel toe en daarop is art. 19b Wet LB 1964 logischerwijs niet van toepassing. Wat in essentie overblijft, is de schending van een pensioenvoorwaarde die, hoe klein ook, kan leiden tot verval van de omkeerregel en de massieve gevolgen van art. 19b Wet LB 1964: belastingheffing ineens over de volledige aanspraak, naar de waarde in het economische verkeer (art. 3.12 lid 1 Uitv.reg. LB 2011), tegen progressief tarief en verhoogd met revisierente (art. 30i AWR), wat in de regel neerkomt op een heffing van 72%. Dit geldt reeds in situaties zonder opzet of grove schuld, anders komt er ook nog een vergrijpboete bij. Waarop de loonbelasting in zo'n situatie zou moeten worden ingehouden, is de volgende uitdaging. Niet op de (belaste) pensioenaanspraak zelf, want dat zou tot (afkoop)handelingen leiden die – zie hiervóór – verboden zijn onder de Pensioenwet.

Vóór 2005 was het een hachelijke operatie voor de fiscus om te stellen dat een pensioenregeling onzuiver was (geworden). Als de onzuiverheid reeds langer dan vijf jaar bestond, was naheffing (over dat deel van de aanspraak) niet meer mogelijk, terwijl de uitkeringen evenmin zouden kunnen worden belast. Met de invoering van art. 10 lid 4 Wet LB 1964 is dat veranderd en heeft de fiscus zijn schroom kunnen afwerpen. Dit heeft geleid tot een bonte rechtspraak over art. 19b Wet LB 1964,
betreffende situaties van eigen beheer. Voor collectieve pensioenen heerst nog immer de grote terughoudendheid van weleer. Bij gebreke aan het fiscale equivalent van pepperspray kan de inspecteur de inhoudingsplichtige slechts tot aanpassingen bewegen, onder dreiging met de nucleaire optie.

In het regeerakkoord Rutte-III valt over de vernieuwing van het pensioenstelsel – persoonlijke pensioenpotten met collectieve risicodeling, waarbij de doorsneesystematiek wordt afgeschaft – te lezen dat ‘wordt bezien of het fiscaal kader alleen nog op de pensioenpremie kan worden begrensd'. Het is een mooie gelegenheid voor de wetgever om de fiscus ten behoeve van zijn toezichts- en handhavingstaak voortaan uit te rusten met bevoegdheden die proportioneel zijn.

Auteur: Hans van Ruiten
 

 


0 reacties
Nog 1500 karakters

                   

Meest gelezen