Het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland werd op 12 april 2012 in Berlijn ondertekend. Terwijl Duitsland het verdrag reeds heeft geratificeerd, is de ratificatie door Nederland bijna drie jaar na ondertekening nog niet afgerond. Vooral de goedkeuring door de Tweede Kamer heeft enorm lang geduurd.

Als we kijken naar de parlementaire stukken, dan ontstaat de indruk dat de Tweede Kamer heeft geworsteld met een aantal bepalingen van het nieuwe belastingverdrag en dan met name de inkomenseffecten die voortvloeien uit die bepalingen. De inwerkingtreding van het nieuwe belastingverdrag met Duitsland heeft voor bepaalde categorieën belastingplichtigen grote gevolgen en in een aantal gevallen is aanzienlijk meer belasting verschuldigd dan onder het bestaande belastingverdrag. Het is niet onlogisch dat het parlement zich op dit punt nadrukkelijk manifesteert. De vraag is echter of het parlement zich niet te veel laat meeslepen door belanghebbenden.

Uit de parlementaire stukken komt onder meer naar voren dat de verschillende Kamerfracties veel aandacht hebben geschonken aan de wijziging van de toewijzingsregels voor particuliere pensioenen. Onder het bestaande verdrag kunnen particuliere pensioenuitkeringen uitsluitend in de woonstaat van de ontvanger worden belast. Uit Nederland afkomstige pensioenen zijn dan belastbaar in Duitsland en de Duitse belastingheffing over dergelijke pensioenen is in vergelijking met Nederland een stuk lager. Onder het nieuwe verdrag wijzigt dit voor pensioenuitkeringen boven € 15.000 per jaar. Voor deze pensioenen geldt onder het nieuwe verdrag een onbeperkt heffingsrecht voor de staat, waaruit de pensioenen afkomstig zijn. Dit betekent dat Nederland anders dan onder het oude verdrag – en in afwijking van art. 18 OESO-modelverdrag – voor deze pensioenen een heffingsrecht krijgt en de uitkering zal gaan belasten tegen de normale Nederlandse IB-tarieven.

Voor de duizenden in Duitsland woonachtige genieters van uit Nederland afkomstige particuliere pensioenuitkeringen zou de inwerkingtreding van het nieuwe belastingverdrag met Duitsland leiden tot een aanzienlijke achteruitgang van het besteedbaar inkomen. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat deze groep nadrukkelijk van zich laat horen en dat in het goedkeuringswetsvoorstel voor bestaande gevallen een overgangsregeling is opgenomen. De vraag is of het ook terecht is dat deze groep een wel erg willig oor vindt bij verschillende fracties uit het parlement voor een nog verdergaande overgangsregeling. In vergelijking met inwoners van Nederland met een gelijk pensioen zijn zij immers aanzienlijk beter af.

De in het nieuwe verdrag opgenomen bronstaatheffing is op Nederlands verzoek in het nieuwe belastingverdrag met Duitsland opgenomen en houdt verband met de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid uit 2011. Nederland streeft op grond van dit beleid naar een heffingsrecht voor de bronstaat over particuliere pensioenen. In het nieuwe verdrag met Duitsland is dit belangrijke punt door Nederland binnengehaald, maar het parlement lijkt niet onverdeeld gelukkig met de inkomenseffecten van de overgang van het heffingsrecht van de woonstaat naar de bronstaat. Gelet op het feit dat in de komende jaren nieuwe belastingverdragen zullen moeten worden onderhandeld met bij gepensioneerden populaire landen, zoals Frankrijk en Spanje, lijkt een herbezinning op dit punt noodzakelijk.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Pensioenen, Internationaal belastingrecht

11

Gerelateerde artikelen