De fiscale rechtspleging is een boeiend terrein dat voortdurend in beweging is. Hieronder belicht ik enige onderwerpen die daarop betrekking hebben. Dat doe ik door middel van stellingen. Dit met de gedachte om te prikkelen.

Wellicht zijn er schrijvers die het leuk vinden deze stellingen ‘op te pakken’ en ‘uit te diepen’. De stellingen zijn - uiteraard - van nuances ontbloot en sommige ervan zijn met een knipoog geschreven.

1. Het past een in de 21e eeuw werkzame cassatierechter die rechtsontwikkeling en rechtsvorming tot zijn takenpakket heeft, niet om zijn arresten te doen steunen op een wet uit 1829 (vgl. HR 23 februari 2018, BNB 2018/99). Dat geldt evenzeer voor de fiscale feitenrechters die te pas en te onpas ‘de hulp’ van artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk inroepen.

2. Nu het antwoord op de vraag of de mens over de gave van bilocatie beschikt, niet buiten elke redelijke twijfel is verheven, dient de Hoge Raad terug te komen van zijn arrest van 12 april 2013, BNB 2013/144, V-N 2013/19.21 over de sociale verzekeringsplicht van een in Nederland wonende zeevarende die op een onder Panamese vlag varende pijpenlegger werkte voor een Zwitserse werkgever. In dat arrest overwoog de cassatierechter zonder voorbehoud dat de mens, naar van algemene bekendheid is, niet over de gave van bilocatie beschikt.

3. Wanneer het stadium wordt bereikt dat de Belastingkamer van de Hoge Raad 80 tot 81 procent van zijn zaken afdoet met een verwijzing naar artikel 80a respectievelijk 81 Wet RO - en dat stadium lijkt nabij - is het tijd om verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie in te voeren of wellicht zelfs over te stappen op een verlofstelsel.

4. De nationaalrechtelijke prejudiciële weg is tot dusverre een provinciale. Hij loopt thans van Noord-Brabant naar Den Haag. Een uitbreiding van het nationaalrechtelijke prejudiciële wegennet is gewenst. De Hoge Raad moet dan wel antwoord geven (vgl. HR 16 november 2018, V-N 2018/60.12).

5. De invulling door de Hoge Raad van het begrip ‘zeer gering financieel belang’ in het kader van het door hem ontwikkelde leerstuk van de immateriëleschadevergoeding op p 15 (zie HR 24 februari 2017, BNB 2017/83, V-N 2017/12.20) vraagt om een jaarlijkse indexering.

6. Het is broodnodig dat rechters werk maken van de begrijpelijkheid van hun uitspraken. Helaas is de naam van het project ‘‘Klare Taal’’ niet voor iedereen helder.

7. In het jargon van De Kleine Generaal - die gezegend is met de naam Advocaat en daarom ook als Advocaat-Generaal door het leven zou kunnen gaan - is de fiscale hogerberoepsrechter geen ‘controlerende middenvelder’ maar ‘een aanvallende’.

8. Ter verlichting van de werkdruk van de fiscale rechters in de eerste lijn en ter verkorting van de doorlooptijden dienen enkelvoudig behandelde fiscale zaken volgens het politierechtermodel te worden behandeld. De mondelinge uitspraak volgt direct na de behandeling ter zitting en er wordt slechts een aantekening mondelinge uitspraak aan het papier toevertrouwd (zogenoemde stempelvonnissen).

9. In het huidige tijdsgewricht past het niet langer om vrouwelijke rechtsprekers als raadsheren te duiden.

10. In WOZ-zaken dient het systeem van de Buurtrechter te worden ingevoerd.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Bronbelasting

Focus: Focus

Carrousel: Carrousel

31

Gerelateerde artikelen