Riemen vast. Deze fiscaal econoom gaat een poging doen de snelste rondetijd te halen op het grillige parcours van het Europese recht. Vergeet de iets te korte bochten, opstuivend grint doet het goed voor de camera. De finish ligt in Den Haag, bij de Hoge Raad (HR). De HR dient expliciet te motiveren waarom hij besluit niet in te gaan op het verzoek van belanghebbende(n) om prejudiciële vragen te stellen.

Startpunt is Straatsburg. Meer specifiek: het arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) 8 april 2014, nr. 17120/09 (Dhahbi tegen Italië). De nationale rechter aldaar was niet ingegaan op het uitdrukkelijke verzoek van de heer Dhahbi om een prejudiciële vraag te stellen. Een nationale rechter heeft de plicht om bij twijfel over de toepassing van het EU-recht een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) als tegen zijn uitspraak geen beroep meer kan worden ingesteld. Dit is alleen anders wanneer sprake is van een acte clair (de toepassing van het gemeenschapsrecht is zo evident dat geen twijfel daarover bestaat) of een acte eclairé (vaste rechtspraak van het HvJ EU is al voorhanden). De heer Dhabi wist na het lezen van de Italiaanse uitspraak niet of van een dergelijke uitzondering sprake was. Voor hetzelfde geld had de magistraat het verzoek simpelweg naast zich neergelegd. Dat de heer Dhabi hierover geen uitsluitsel heeft gekregen, acht het EHRM in strijd met het recht op een eerlijk proces uit art. 6 lid 1 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM).

Even gas terug. Het EHRM is een instelling van de Raad van Europa en staat los van de Europese Unie. EU-lidstaten (en andere Europese landen) die lid zijn van de Raad van Europa zijn gebonden aan de grondrechten van die Raad, zoals het EVRM. De daarin geformuleerde grondrechten maken deel uit van het recht van de Unie. Dit blijkt ook uit het Handvest van de grondrechten van de EU. In dit Handvest zijn vigerende grondrechten, waaronder het recht op een eerlijk proces, samengevoegd met als doel meer bekendheid daaraan te geven. Het Handvest heeft sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in december 2009 dezelfde rechtskracht als EU-verdragen. Kortom, de motiveringsplicht uit het arrest Dhabi is ook van toepassing op Nederlandse zaken over het belastingrecht met een Unierechtelijk component! Denk aan procedures in de directe belastingssfeer over een inbreuk op één van de vier vrijheden. Of aan de uitleg van het communautaire begrippenkader in de btw-richtlijn. Het is maar goed dat de HR onlangs in Luxemburg de vraag parkeerde of hij in een prejudiciële vraag, gesteld door een lagere nationale rechter, aanleiding moet zien om eveneens een prejudiciële vraag aan het HvJ EU voor te leggen of de beantwoording van die door de lagere nationale rechter gestelde vraag moet afwachten, óók indien de HR zelf van oordeel is dat sprake is van een acte clair (HR 28 maart 2014, nr. 12/03718, V-N 2014/17.13). Leg maar eens uit waarom je deze vraag niet stelt...

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Bronbelasting, Europees belastingrecht

14

Gerelateerde artikelen