Maarten Bosch geeft zijn visie over een onlangs door de Tweede Kamer aangenomen motie over het akkoord over maatregelen om belastingontwijking door multinationals tegen te gaan.

Wetgeving komt in Nederland tot stand in samenwerking tussen regering en parlement. Als beoefenaar van het belastingrecht volg ik vanzelfsprekend het wetgevend proces. In dat verband volg ik ook de parlementaire moties. Die geven immers een aanwijzing welke kant het parlement op wil.
 
Moties zijn uiteraard politiek. Maar als jurist heb ik toch de neiging om daar met een meer juridische en analytische blik naar te kijken. Dat levert soms opmerkelijke conclusies op. Een bijzonder voorbeeld hiervan is de motie Kamerstukken II 2015/16, 25087, nr. 120 van de Kamerleden Merkies (SP) en Grashoff (Groenlinks) aangenomen op 28 juni 2016, opgenomen in V-N 2016/38.11.
 
In de motie constateert de Tweede Kamer dat er een akkoord is bereikt over maatregelen om belastingontwijking door multinationals tegen te gaan en spreekt uit dat de gemaakte afspraken slechts een eerste stap inhouden op weg naar een eerlijker belastingheffing voor multinationals. Als ik deze motie analyseer, constateer ik allereerst dat deze is ingediend tijdens het debat dat met name ging over de Anti Tax Avoidance Directive van de EU (zie V-N 2016/37.3). De gemaakte stap moet daar ook op zien. Uit de motie volgt dat de Kamer deze stap van harte steunt. Uit de motie volgt echter ook dat de Kamer kennelijk van mening is dat de huidige belastingheffing voor multinationals niet eerlijk is, althans niet eerlijk genoeg. Alleen dan is het namelijk mogelijk stappen te zetten naar een eerlijker belastingheffing. Het uitspreken dat het om een ‘‘eerste stap'' gaat, impliceert dat er in het verleden nooit iets is gedaan aan een eerlijker belastingheffing voor multinationals. Voor zover dat op gecoördineerde internationale actie slaat, meent de Kamer kennelijk dat alle eerdere inspanningen op het gebied van onder meer transfer pricing niet hebben bijgedragen aan een eerlijkere heffing van multinationals. Tekstueel is er geen enkele beperking tot internationale verhoudingen. Overigens lijkt het te gaan om eerlijker belastingheffing van de multinationals, en die dan eerlijker is vóór de maatschappij.
 
Voor wat betreft Nederland, zijn regering en parlement verantwoordelijk dat er nationaal en zo nodig ook internationaal wordt ingegrepen. Een logische analyse leidt dus allereerst tot de conclusie dat ons parlement zichzelf een dikke onvoldoende geeft. Verder stelt de Kamer nu geen volgende stappen voor en doet ook geen verzoek aan de regering concrete stappen te nemen. Dat betekent dat de tweede conclusie is dat de Kamer daarmee toch vooral lijkt te wachten op stappen van een hogere macht. Kennelijk ziet de Kamer voor wat betreft de belastingheffing van multinationals een verdere rol voor de EU of wellicht de OESO. Dat zou overigens een opmerkelijke conclusie zijn voor wat betreft de inbreng van de heer Merkies, want de SP is juist tegen overdracht van bevoegdheden aan de EU en tegen maatregelen die van bovenaf door de EU worden opgelegd.
 
De titel boven deze column luidt zomerzotheid, want ik hoop van harte dat deze motie als zodanig dient te worden beschouwd. Deze motie is kritiek zonder dat duidelijk is waarop de kritiek ziet, behalve dan wellicht op de eigen passiviteit. Een parlement dat meent dat de belastingheffing oneerlijk is, dient aan te geven waarom en ook wat er dan bij voorkeur moet worden aangepast.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Internationaal belastingrecht

9

Gerelateerde artikelen