X is DGA van een BV, die per 1 januari 2015 een rekening-courantvordering op hem heeft van € 1.464.133. De BV besluit om hiervan wegens oninbaarheid per 1 januari 2015 € 1.064.133 ten laste van de eigen reserves af te waarderen. Dit is vastgesteld in de AVA-notulen van 4 november 2016, waarin de jaarrekening van 2015 is vastgesteld. Kort daarvoor had X zijn eigen IB-aangifte ingediend. Hierin was geen inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven en de volledige schuld was verantwoord in box 3. Zijn aanslag is in oktober 2017 opgelegd conform de aangifte. In april 2017 is de VPB-aangifte over 2015 ingediend, waarin is verzocht om een standpuntbepaling met betrekking tot de rekening-courantpositie met X. In geschil is de IB-navorderingsaanslag over 2015. Volgens de inspecteur heeft er in dat jaar namelijk een winstuitdeling plaatsgevonden van € 1.064.133.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de uitworp van de VPB-aangifte het nieuwe feit is en dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan door de primitieve aanslag aan X op te leggen. De inspecteur hoefde naar aanleiding van zijn IB-aangifte geen onderzoek naar de schuld in te stellen. Het komt vaker voor dat DGA’s (ineens) aanzienlijke schulden aan hun BV hebben en dat hierin van jaar tot jaar grote mutaties kunnen zijn. X stelt vergeefs dat de uitdeling pas in 2016 heeft plaatsgevonden. Het besluit tot afwaarderen is namelijk in 2015 genomen en dat is in de notulen uit 2016 slechts bekrachtigd. Het beroep van X is ongegrond. Wegens het overschrijden van de redelijke termijn krijgt hij wel een immateriële schadevergoeding van € 2500.
Wetsartikelen:
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 27 februari
Informatiesoort: VN Vandaag