X lijdt aan een vorm van kanker en ondergaat in verband daarmee hyperthermiebehandelingen in Duitsland. Deze behandelingen worden verricht door een zogenoemde heilpraktiker. In zijn aangifte IB/PVV 2018 brengt X de kosten hiervoor als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek. De inspecteur corrigeert via de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 de aangifte en weigert de aftrek van specifieke zorgkosten voor de heilpraktiker. X gaat in bezwaar en (hoger) beroep.
Hof Den Haag oordeelt, evenals de Rechtbank Den Haag, dat de door X gemaakte kosten voor het ondergaan van hyperthermiebehandelingen in verband met zijn ziekte niet behoren tot de aftrekbare uitgaven voor specifieke zorgkosten. Het hof acht hierbij, anders dan de rechtbank, doorslaggevend dat uit de door X overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat in 2018 sprake was van een actieve medische betrokkenheid van een arts bij de behandelingen die X bij de heilpraktiker onderging. Niet gebleken is dat de arts als het ware de medische noodzaak van die behandelingen voor zijn rekening nam. Er is dus geen sprake van behandelingen op voorschrift en onder begeleiding van een arts. De beroepen van X op discriminatie, de patiëntenrichtlijn, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel slagen evenmin.
Wetsartikelen:
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 14
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 39
Wet inkomstenbelasting 2001 6.17
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 31 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag