Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de bewijslast in hoger beroep bij de belanghebbende komt te liggen indien de heffingsambtenaar berust in de door de rechtbank vastgestelde waarde. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat het duidelijk niet kan slagen (art. 80a lid 1 Wet RO).

X is het niet eens met de WOZ-waarde 2020 van zijn woning. In bezwaar verlaagt de heffingsambtenaar de waarde van € 722.000 naar € 695.000. In beroep verlaagt Rechtbank Gelderland de waarde verder naar € 662.000. X gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank, de heffingsambtenaar berust in de beslissing van de rechtbank.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de bewijslast in hoger beroep bij de belanghebbende komt te liggen indien de heffingsambtenaar berust in de door de rechtbank vastgestelde waarde. De herkansingsfunctie van het hoger beroep, bezien in het licht van de bewijsvoering in WOZ-zaken (HR 14 oktober 2005, V-N 2005/54.23) brengt met zich mee dat in situaties als deze in hoger beroep op X de last rust de door hem verdedigde waarde aannemelijk te maken. Daarin slaagt X niet. Dat betekent dat beide partijen niet geslaagd zijn in hun bewijslast. Het hof stelt de WOZ-waarde vast op hetzelfde bedrag als de rechtbank. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat het duidelijk niet kan slagen (art. 80a lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet waardering onroerende zaken 17

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 24 november

Informatiesoort: VN Vandaag

106

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen