Het toezeggen van een vaste indexatie van een ingegaan partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en een ingegaan wezenpensioen is onder de werking van de Wet toekomst pensioenen (WTP) alleen toegestaan als deze vaste indexatie een redelijke benadering is van de loon- of prijsindexatie over een reeks van toekomstige jaren. Dit staat in een V&A van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen.
Uit een lange reeks inflatiecijfers over de jaren heen is af te leiden dat een vaste indexatie niet hoger kan zijn dan 3%. Verder kan een vaste indexatie alleen dienen als maatstaf voor de bepaling van een inhaalindexatie over vroegere jaren, als die vaste indexatie in de periode waarover inhaal plaatsvindt al in de pensioenregeling was opgenomen als nagestreefde indexatie. Voorts kan een vaste indexatie niet eenmalig of over enige (toekomstige) jaren worden toegezegd om bijvoorbeeld een overschot, liquidatiesaldo of indexatiedepot van een pensioenfonds of pensioenpolis te verdelen.
Onder de werking van de WTP is het alleen mogelijk om de uitkeringen van een ingegaan partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en een ingegaan wezenpensioen te indexeren als sprake is van vastgestelde uitkeringen. Bij variabele uitkeringen is het niet mogelijk om te indexeren.
Lees ook het thema Wet toekomst pensioenen: de fiscale regelgeving.
Wetsartikelen:
Wet op de loonbelasting 1964 18c
Wet op de loonbelasting 1964 18b
Wet op de loonbelasting 1964 18d
Rubriek: Loonbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 28 januari
Informatiesoort: VN Vandaag