B BV behoort tot een Luxemburgs concern dat in financiële instrumenten handelt. Naar aanleiding van een onderzoek naar dividendstripping legt de inspecteur VPB-(navorderings)aanslagen 2012-2015 op aan B BV. Volgens de inspecteur is B BV namelijk niet de uiteindelijk gerechtigde van de op de aandelen uitgekeerde dividenden, zodat verrekening van de dividendbelasting niet aan de orde is. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat B BV de dividendbelasting niet kan verrekenen. B BV is namelijk weliswaar opbrengstgerechtigde van de dividenden, maar niet de uiteindelijk gerechtigde van de op de aandelen uitgekeerde dividenden. In hoger beroep is in geschil of B BV voor de jaren 2012 tot en met 2015 recht heeft op verrekening van dividendbelasting.
Hof Amsterdam oordeelt dat B BV de dividendbelasting die is ingehouden op de aandelen die aan haar zijn toegedeeld niet als teruggaaf of te verrekenen voorheffing in aanmerking kan nemen. De inspecteur maakt aannemelijk dat aan alle voorwaarden voor toepassing van de antidividendstrippingmaatregel van art. 25 lid 2 tweede volzin Wet VPB 1969 is voldaan. B BV kan dan ook niet worden aangemerkt als de ‘uiteindelijk gerechtigde’ als bedoeld in art. 25 lid 2 Wet VPB 1969. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank op dat punt.
Wetsartikelen:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 25
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Dividendbelasting
Editie: 4 april
Informatiesoort: VN Vandaag