De Hoge Raad oordeelt dat de bewijslast over de uiteindelijke gerechtigdheid bij de inspecteur ligt. In eerste instantie rust de bewijslast op de verzoeker om aannemelijk te maken dat hij de gerechtigde is. Vervolgens rust de bewijslast voor de uiteindelijke gerechtigdheid bij de inspecteur.

X, een Japans pensioenfonds, is een associatie van 72 aangesloten pensioenfondsen. Zij is een public interest corporation. De deelnemers aan de pensioenregelingen die door X worden uitgevoerd zijn voormalig werknemers, ondernemers en zelfstandig beroepsbeoefenaren, die niet in aanmerking komen voor deelname aan de pensioenregelingen voor werknemers. Deelname aan de pensioenregelingen van X is niet verplicht. X ontvangt portfoliodividenden van in Nederland gevestigde beursgenoteerde vennootschappen. Op de dividenden wordt 15% dividendbelasting ingehouden. X verzoekt om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewijslast over de uiteindelijke gerechtigdheid tot de opbrengst ten onrechte bij X heeft neergelegd. De Hoge Raad wijst er daarbij op dat, als de inspecteur betwist dat een verzoeker de gerechtigde is tot de opbrengst, de bewijslast in eerste instantie op de verzoeker ligt om dat aannemelijk te maken. Voor het antwoord op de eventuele vervolgvraag of de verzoeker de uiteindelijk gerechtigde tot de opbrengst is, heeft de inspecteur de stelplicht en de bewijslast. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden. Dit hof moet onderzoeken of de dividendbelasting waarop de teruggaafverzoeken zien, ten laste van X is ingehouden.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 5

Wet op de dividendbelasting 1965 10

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 63

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Dividendbelasting

Instantie: Hoge Raad

Editie: 21 oktober

Carrousel: Carrousel

12

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen