Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur er ten onrechte van is uitgegaan dat het in rekening-courant verrekende optiepremievoordeel een winstuitdeling van A BV aan X vormt. De inspecteur maakt niet aannemelijk dat op grond van de aandeelhoudersrelatie een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden.
Belanghebbende, X, houdt de aandelen in A BV. In 2009 voeren zij een optieconstructie uit waarbij zij over een weer een optie verstrekken. De overeenkomsten worden geregistreerd bij de Belastingdienst. In 2013 worden weer optieovereenkomsten gesloten. Op grond van de optieovereenkomsten verkrijgt X per saldo aanspraak op een bedrag van € 394.500 aan optiepremies. Dit optiepremievoordeel is in 2013 met A BV verrekend in rekening-courant. De inspecteur legt in 2019 IB-navorderingsaanslagen 2012-2015 op in verband met genoten voordelen uit de optieovereenkomsten. Hij stelt daarbij dat sprake is van een winstuitdeling. Rechtbank Den Haag vernietigt de opgelegde IB-navorderingsaanslagen omdat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit.
Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur er ten onrechte van is uitgegaan dat het in rekening-courant verrekende optiepremievoordeel een winstuitdeling van A BV aan X vormt. De inspecteur maakt niet aannemelijk dat op grond van de aandeelhoudersrelatie een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden. Volgens het hof maakt de inspecteur namelijk niet aannemelijk dat X en A BV zijn overeengekomen dat de opties slechts gezamenlijk en tegelijkertijd konden worden uitgeoefend. Omdat geen sprake is van een winstuitdeling komt het hof niet toe aan de vraag of de inspecteur wel beschikt over een nieuw feit. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wetsartikelen:
Wet inkomstenbelasting 2001 4.12
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16