X houdt vanaf 12 mei 2016 een indirect aanmerkelijk belang (9,25%) in een BV. X leent geld uit een stichting tegen een rente van 9%, waarmee de BV een Services Agreement is aangegaan. Per 21 augustus 2017 is er geen aanmerkelijk belang meer, omdat het belang onder de 5% daalt. De lening is op dat moment € 2.150.000. Volgens X valt de lening in box 3. In geschil is of sprake is van het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een samenwerkingsverband (art. 3.92 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001) zoals de inspecteur stelt. Rechtbank Gelderland stelt de inspecteur in het gelijk. X gaat in hoger beroep.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de lening in feite indirect ter beschikking is gesteld aan de BV waarin X van 12 mei 2016 tot 21 augustus 2017 een aanmerkelijk belang had (art. 3.92 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001). Uit de Services Agreement volgt dat de stichting in feite niet meer is dan een ‘special purpose vehicle’ c.q. doorgeefluik van de BV om de belangen van X met betrekking tot de lening veilig te stellen en om de risico’s te beperken. De winsten van de stichting komen namelijk toe aan de BV, haar bestuur is geheel in handen van met de BV gelieerde partijen en zij mag geen geld lenen van derden. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de corresponderende IB-heffing onder de TBS-regeling te doen plaatsvinden, teneinde meer evenwicht tussen aftrek en heffing te creëren. De rente is dus in box 1 belast.
Wetsartikelen:
Wet inkomstenbelasting 2001 3.92
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 3 maart
Informatiesoort: VN Vandaag