X woont sinds 2010 in Duitsland en heeft in 2018 een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WGA-uitkering) van het UWV ontvangen. X dient aangifte inkomstenbelasting over 2018 in en geeft daarin de WGA-uitkering aan voor een bedrag van € 10.732. De inspecteur legt de aanslag in overeenstemming met de aangifte op. X maakt bezwaar tegen de aanslag, waarop de inspecteur het bezwaar afwijst en een navorderingsaanslag IB voor 2018 oplegt, waarin hij het belastbaar inkomen uit werk en woning vaststelt op de volledige WGA-uitkering. X stelt dat een deel van de uitkering betrekking heeft op voorgaande jaren en dat de inspecteur op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland niet mag heffen over de uitkering, omdat het deel dat ziet op 2018 minder dan € 15.000 bedraagt. X erkent dat de gehele uitkering in 2018 is uitgekeerd en ontvangen. In geschil is of de inspecteur de WGA-uitkering terecht in de Nederlandse heffing over het jaar 2018 heeft betrokken.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de WGA-uitkering terecht in de Nederlandse heffing over 2018 heeft betrokken. X erkent dat de gehele uitkering in 2018 is uitgekeerd en ontvangen. De rechtbank stelt dat de inspecteur de uitkering overeenkomstig de Nederlandse wettelijke bepalingen en het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland in de (navorderings)aanslag IB voor 2018 heeft betrokken. Dat een deel van de uitkering op andere jaren dan 2018 betrekking heeft, doet hier niet aan af. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, waardoor de aanslag, navorderingsaanslag en rentebeschikkingen in stand blijven.
Wetsartikelen:
Wet inkomstenbelasting 2001 3.146
Wet inkomstenbelasting 2001 3.101
Wet inkomstenbelasting 2001 3.100
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Internationaal belastingrecht, Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid
Editie: 28 maart
Informatiesoort: VN Vandaag