X is vanaf 5 februari 2019 enig aandeelhouder en bestuurder van X BV. Daarnaast is X vanaf 26 juni 2020 enig aandeelhouder en bestuurder van Y BV en middellijk bestuurder van Z BV. In 2020 heeft X € 600 aan loon ontvangen van X BV, terwijl Y BV en Z BV geen loon hebben uitbetaald. X heeft niet tijdig aangifte IB/PVV 2020 gedaan, ondanks herinneringen en aanmaningen van de inspecteur. De inspecteur heeft daarop ambtshalve een aanslag IB/PVV opgelegd, gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.855, inclusief een fictief gebruikelijk loon van € 46.000. X maakt bezwaar en dient alsnog een aangiftebiljet in, waarin een belastbaar inkomen van € 13.855 wordt aangegeven. De inspecteur vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van € 59.255. In geschil is of de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is en of sprake is van een redelijke schatting.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is omdat X niet tijdig aangifte heeft gedaan. De schatting van de inspecteur, bestaande uit het eenmaal in aanmerking nemen van het normbedrag van de gebruikelijkloonregeling, is niet onredelijk of willekeurig. X heeft niet aangetoond dat de schatting van de inspecteur onjuist is. De verzuimboete is terecht opgelegd en passend, aangezien X geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot matiging. Het beroep is ongegrond.
Wetsartikelen:
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 2012 21
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a
Wet op de loonbelasting 1964 12a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Algemene wet bestuursrecht 8:36c
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Loonbelasting
Editie: 3 april
Informatiesoort: VN Vandaag