Advocaat-generaal Pauwels concludeert dat het rechtszekerheidsbeginsel zich er niet tegen verzet dat het bestuursorgaan het tijdigheidsverweer voert. Dit geldt wanneer X BV eerder in bezwaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt die van belang zijn voor de beoordeling van de tijdigheid van het bezwaar.

De heffingsambtenaar van gemeente Z legt een aanslag leges op aan belanghebbende, X BV. De aanslag wordt met dagtekening 5 april 2017 verstuurd naar de B-straat. Tijdens een gesprek op 7 juni 2018 merkt X BV op dat de aanslag niet bekend is en dat de C-straat het juiste adres is. De heffingsambtenaar stuurt daarop de aanslag, wederom met dagtekening 5 april 2017, naar de C-straat. X maakt vervolgens op 11 juni 2018 bezwaar, dat ongegrond wordt verklaard. X BV gaat in beroep. De heffingsambtenaar stelt dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, de Hoge Raad en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de rechtszekerheid er aan in de weg staat dat de heffingsambtenaar X BV tegenwerpt dat het bezwaar niet tijdig is, omdat de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar een inhoudelijk besluit heeft genomen over de ontvankelijkheid. Daarbij tekent de rechtbank nog wel aan dat de Hoge Raad niet lijkt uit te sluiten dat de ontvankelijkheid van het bezwaar in een geval als bij X bv in beroep alsnog ter discussie wordt gesteld.

Hof Amsterdam oordeelt dat het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel er niet aan in de weg staan dat de heffingsambtenaar de termijnoverschrijding van het bezwaar in beroep alsnog aan X BV tegenwerpt. Het hof verklaart het bezwaar vervolgens niet-ontvankelijk en komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Het hof overweegt daarbij dat X BV in bezwaar stelde dat de aanslag naar het verkeerde adres was gestuurd en dat dit door de heffingsambtenaar is erkend. Dit is volgens het hof echter niet juist. Verder wijst het hof er op dat het bezwaar ontvankelijk is verklaard, terwijl sprake is van een termijnoverschrijding van 14 maanden. Deze fout moet voor X BV meteen duidelijk zijn geweest. Gezien de stellingen die X BV verder heeft ingenomen is evident geen sprake van een geloofwaardige ontkenning door X BV van de ontvangst van de aanslag op de B-straat. De termijnoverschrijding is dan niet verschoonbaar. X BV gaat in cassatie.

Advocaat-generaal Pauwels concludeert dat het rechtszekerheidsbeginsel zich er niet tegen verzet dat het bestuursorgaan het tijdigheidsverweer voert. Dit geldt wanneer X BV eerder in bezwaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt die van belang zijn voor de beoordeling van de tijdigheid van het bezwaar. Dit is dan volgens de A-G een uitzondering op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit volgt dat het bestuursorgaan geen tijdigheidsverweer mag voeren, als het bestuursorgaan inhoudelijk op het bezwaar heeft beslist. De A-G merkt daarbij nog wel op dat hij twijfelt of überhaupt sprake is van een afwijking van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De A-G adviseert de Hoge Raad om het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 6:11

Instantie: Hoge Raad (Parket)

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 4 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

46

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen