Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de ouderschapsverlofkorting alleen van toepassing is bij een daadwerkelijke terugval in inkomen ten opzichte van het jaar daar voor en niet bij een fictieve terugval in het jaar zelf.

Belanghebbende, X, is gehuwd en heeft twee kinderen. Hij maakt in 2010 gebruik van de ouderschapsverlofregeling van zijn werkgever. Bij voorlopige aanslag verleent de inspecteur hem een aftrek van € 1.432, maar bij de aanslagregeling neemt de inspecteur die aftrek terug. Dit omdat het belastbaar loon van X in 2010 hoger is dan in 2009. X stelt dat hij recht heeft op de korting omdat hij, door gebruik te maken van het ouderschapsverlof in 2010 minder inkomen heeft genoten dan wanneer hij er geen gebruik van had gemaakt. Hierdoor is volgens X sprake van terugval van inkomen. Volgens X heeft hij naar doel en strekking van de wettelijke bepaling recht op de korting.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaart het beroep van X ongegrond. Omdat het belastbaar loon in 2010 hoger is dan in 2009 heeft X in 2010 geen recht op de ouderschapsverlofkorting. Volgens de wettekst kan de korting immers niet meer bedragen dan het verschil in belastbaar loon voor zover dat loon in 2010 hoger is dan dat in 2009. De rechtbank volgt de stelling van X niet over de terugval van inkomen. X vergelijkt daarmee immers de feitelijke toestand in 2010 met een fictieve toestand in 2010. Voor een dergelijke vergelijking biedt de wet geen mogelijkheid, aldus de rechtbank.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 8.14b

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Editie: 18 december

2

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen