Staatssecretaris Snel van Financiën heeft het wetsvoorstel Wet bronbelasting 2021 bij de Tweede Kamer ingediend. Het kabinet stelt voor om met ingang van 1 januari 2021 een conditionele bronbelasting te introduceren op renten en royalty’s naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties. Verder wordt aanpassing van bestaande antimisbruikbepalingen in de vpb en de dividendbelasting voorgesteld. Invoering hiervan is mogelijk per 1 januari 2020.

Voor de toepassing van de bronbelasting is reële aanwezigheid in Nederland niet relevant. Verder kan tussen de voorgestelde bronbelasting en de aftrekbeperkingen in de vpb samenloop optreden. Gezien het antimisbruikkarakter van de bronbelasting is geen uitzondering gemaakt in de bronbelasting voor gevallen waarin tevens een aftrekbeperking van toepassing is.

De bronbelasting wordt geheven in gelieerde verhoudingen. Voor de term gelieerdheid is aangesloten bij het door het Hof van Justitie EU ontwikkelde criterium. Er is onder meer sprake van gelieerdheid, als het voordeelgerechtigde lichaam een kwalificerend belang heeft in het betalende lichaam of als het betalende lichaam een kwalificerend belang heeft in het voordeelgerechtigde lichaam. Ook is sprake van gelieerdheid als een derde een kwalificerend belang heeft in zowel het voordeelgerechtigde lichaam als het betalende lichaam. Van een kwalificerend belang zal in ieder geval sprake zijn als het belang meer dan 50% van de statutaire stemrechten vertegenwoordigt.

Laagbelastende jurisdicties (LBJ) worden aangewezen bij ministeriële regeling. Het gaat om jurisdicties die lichamen niet of naar een tarief van minder dan 9% onderwerpen aan een winstbelasting of die zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Als Nederland een belastingverdrag heeft met jurisdicties die op de bij ministeriële regeling vast te stellen lijst zijn of worden opgenomen, geldt een driejaarstermijn. Dit betekent dat betalingen aan in verdragsstaten gevestigde gelieerde lichamen niet eerder aan de heffing van de bronbelasting zullen worden onderworpen dan nadat drie kalenderjaren zijn verstreken na de eerste aanwijzing. Dit is een redelijke termijn om verdragsonderhandelingen op te starten.

De belastingplicht richt zich primair op rechtstreekse betalingen aan gelieerde lichamen gevestigd in een laagbelastende jurisdictie. Daarnaast beschrijft het kabinet vergelijkbare situaties waarin ook bronbelasting verschuldigd zal zijn. Bijvoorbeeld in geval van toerekening van een voordeel aan een vaste inrichting of in geval van een betaling aan een hybride lichaam.

Bronbelasting wordt ook verschuldigd bij kunstmatige structuren die zijn bedoeld om Nederlandse bronbelasting te ontwijken. In de voorgestelde antimisbruikbepaling wordt bronbelasting geheven van de tussenschakel. Als een tussenschakel is gerechtigd tot de voordelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie, wordt bronbelasting geheven. De antimisbruikbepaling is momenteel niet van toepassing als de tussenschakel voldoet aan substance-eisen. De rol van de huidige substance-eisen wordt echter gewijzigd.

Het tarief van de bronbelasting zal in 2021 21,7% zijn. Verder worden maatregelen voorgesteld op het vlak van het formele belastingrecht, zoals naheffingsmogelijkheden, en de invordering.

Aanpassing bestaande antimisbruikbepalingen in vpb en dividendbelasting

Voorgesteld wordt om de rol van de substance-eisen te wijzigen bij de bestaande antimisbruikbepalingen in de vpb en de dividendbelasting. Net als bij de bronbelasting zullen de substance-eisen niet langer werken als ‘safe harbour’. De substance-eisen zullen slechts een rol spelen bij de bewijslastverdeling. Hierdoor kan de Belastingdienst ook in situaties waarin is voldaan aan de substance-eisen misbruik aanpakken. Hiervoor dient de Belastingdienst aannemelijk te maken dat ontgaan van belasting het hoofddoel of één van de hoofddoelen is (subjectieve toets) en er geen sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (objectieve toets).

Als niet wordt voldaan aan de substance-eisen krijgt de belastingplichtige de mogelijkheid aannemelijk te maken dat geen sprake is van misbruik. Hiervoor zal de belastingplichtige aannemelijk dienen te maken dat niet wordt voldaan aan de subjectieve en objectieve toets.

Dit wetsvoorstel is onderdeel van het pakket Belastingplan 2020, dat bestaat uit zes wetsvoorstellen. De vijf andere wetsvoorstellen zijn Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgavenBelastingplan 2020Wet implementatie richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstatenOverige fiscale maatregelen 2020 en Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord.

Bronnen:

Wetsvoorstel + Memorie van toelichting

Nader rapport

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Dividendbelasting

Dossiers: Prinsjesdag 2019

Regelgevende instantie: Ministerie van Financiën

Editie: 18 september

Uitsluiting Nieuwsbrief: Uitsluiting Nieuwsbrief

10

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen