De Hoge Raad oordeelt dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigingsvergoedingen. Er moet worden gekeken naar de bedoeling van de regeling aan de hand van haar objectieve kenmerken en voorwaarden.

X bv kondigt in 2013 een reorganisatie aan. Door de reorganisatie zullen ten minste 230 arbeidsplaatsen vervallen. X bv komt vervolgens een sociaal plan overeen met de vakbonden. In het sociaal plan zijn boventallige werknemers aangewezen volgens het afspiegelingsbeginsel bij onderling uitwisselbare functies. Het sociaal plan bevat verder ook nog een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling. De inspecteur weigert om de door X bv gewenste beschikking ex art. 32ba lid 7 Wet LB 1964 af te geven. Volgens de inspecteur is er namelijk, nu X bv in het sociaal plan ook een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling heeft opgenomen, sprake van een RVU (regeling voor vervroegde uittreding). Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de uitkering geen verband houdt met de (pensioengerechtigde) leeftijd van de werknemer. Volgens het hof is er namelijk sprake van een regeling die ertoe strekt alle werknemers van X bv, ongeacht hun leeftijd, een mogelijkheid te bieden om vrijwillig hun dienstverband te beëindigen tegen een vertrekvergoeding op basis van de kantonrechtersformule. Het sociaal plan kwalificeert niet als een RVU. De staatssecretaris gaat in cassatie en stelt daarbij dat rekening moet worden gehouden met de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigingsvergoedingen.

De Hoge Raad oordeelt dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigingsvergoedingen. Volgens de Hoge Raad moet namelijk worden gekeken naar de bedoeling van de regeling aan de hand van haar objectieve kenmerken en voorwaarden. Verder merkt de Hoge Raad nog op dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een RVU bepalend is of de uitkeringen of verstrekkingen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum. De beweegredenen van de inhoudingsplichtige om zodanige uitkeringen of verstrekkingen aan te bieden doen in dit verband niet ter zake. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het hof.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de loonbelasting 1964 32ba

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Loonbelasting

Instantie: Hoge Raad

Editie: 25 juni

Carrousel: Carrousel

17

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen