Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag recht van successie in strijd heeft gehandeld met het voortvarendheidvereiste. Het vereiste geldt namelijk ook in relatie tot derde landen.
X erft in 2001 van haar vader. Bij de aangifte recht van successie wordt geen melding gemaakt van in het buitenland aangehouden vermogen. In 2017 blijkt dat X vermogen heeft op een Zwitserse bankrekening, afkomstig uit de nalatenschap van haar vader. De inspecteur legt in 2017 navorderingsaanslagen IB/PVV aan X op. In oktober 2018 bericht de inspecteur X over het voornemen om een navorderingsaanslag recht van successie op te leggen die in mei 2019 wordt vastgesteld naar een belaste verkrijging van ƒ 3,6 miljoen. In hoger beroep is in geschil of sprake is van schending van het voortvarendheidsvereiste.
Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag recht van successie in strijd heeft gehandeld met het voortvarendheidsvereiste. Tussen de periode van het verkrijgen van de benodigde informatie voor de navorderingsaanslag en het daadwerkelijk opleggen van de aanslag is sprake van een vertraging van meer dan zes maanden. Hiervoor is geen verklaring gegeven. De stelling van de inspecteur dat het voortvarendheidsvereiste niet geldt in relatie tot Zwitserland gaat niet op omdat de onbeperkte navorderingstermijn van art. 66 lid 4 Successiewet pas na de “standstilldatum” van 31 december 1993 tot stand is gekomen en niet is gebaseerd op een voor die datum geldende wettelijke regeling. De vrijheid van kapitaalverkeer geldt daarom ook ten aanzien van derde landen voor deze wettelijke bepaling. Het hoger beroep is gegrond. De navorderingsaanslag wordt vernietigd.
Wetsartikelen:
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 64
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 63
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Informatiesoort: VN Vandaag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Instantie: Hof Den Haag
Editie: 27 maart