X heeft in 1988 een bankrekening geopend bij bank Heusser in Zwitserland. In 2016 ontvangt de Belastingdienst bericht over een Zwitserse bankrekening bij Credit Suisse op naam van X. In 2017 start een strafrechtelijk onderzoek en X wordt door de FIOD verhoord. X dient buiten de gestelde termijn aangiften IB/PVV 2017 en 2018 in, waarbij de Zwitserse bankrekening niet is aangegeven. De inspecteur legt (ambtshalve) aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 op en rekent het saldo van de Zwitserse bankrekening tot de rendementsgrondslag sparen en beleggen. Na bezwaar van X vermindert de inspecteur de aanslagen in het kader van rechtsherstel box 3. In beroep is in geschil of het saldo op de Zwitserse bankrekening terecht tot de rendementsgrondslag is gerekend en of is uitgegaan van een juist rendement.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat het saldo van de Zwitserse bankrekening terecht tot de rendementsgrondslag sparen en beleggen van X wordt gerekend. X heeft: i) geen bewijs geleverd voor zijn stelling dat hij is opgelicht, ii) geen correspondentie met Credit Suisse of enige Zwitserse autoriteit overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij niet langer over de Zwitserse bankrekening beschikt en iii) geen bewijs geleverd dat hij in Zwitserland een advocaat in de arm heeft genomen. Daarnaast maakt X niet aannemelijk dat het werkelijke rendement lager is dan de door inspecteur gehanteerde percentages van 1,8% voor 2017 en 1,71% voor 2018.
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 27 maart
Informatiesoort: VN Vandaag